Stedelijke gebieden
Stedelijke vraagstukken
Begrippen:
Wijk
Buurt
Verloedering
Leefbaarheid
Woonomgeving
Fysieke leefbaarheid
Buurt- en wijkvoorzieningen
Woningkenmerken (ouderdom, onderhoud, woningtype, eigendom)
Sociale leefbaarheid
Bewonerskenmerken (inkomens, grootte van huishoudens, gezinsfase, leeftijd, etniciteit)
Verblijftijd
Sociale onveiligheid
Objectieve leefbaarheid
Subjectieve leefbaarheid
Perceptie
Buurtprofiel
Achterstandswijken
Probleemwijken
Stadsvernieuwing
Herstructurering
Woningcorporaties
Gentrificatie (gentrification)
Sociale cohesie
Sociale netwerken
Sociale controle
Overlast
Criminaliteit
Objectieve sociale (on)veiligheid
Subjectieve sociale (on)veiligheid
Onderhoud
Overzichtelijkheid
Openbare ruimte
Toegankelijkheid
Toezicht
Opdracht A
Als het goed is heb je voor deze les de verschillende betekenissen van de bovenstaande begrippen opgezocht. Tijdens de les ga je deze kennis verdelen met je leerwerkteam. Zorg er voor dat je medeleerlingen allemaal een definitie, een voorbeeld en een kaartblad uit de Grote Bosatlas hebben opgeschreven in hun schrift. Zoek van elk begrip een beeld op Google afbeeldingen en bespreek wat je ziet.
Opdracht B
Na het bekijken van de video kun je de volgende vragen beantwoorden:
-
Welke drie aspecten maken een wijk of buurt leefbaar?
-
Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve leefbaarheid?
-
Wat zijn de vier objectieve bewonerskenmerken?
-
Waarom komt een buurtprofiel van een 19de eeuwse wijk uit Amsterdam overeen met een 19de eeuwse wijk in Arnhem?
-
Wat is een Vogelaarwijk?
-
Welke vier aandachtspunten zijn door de overheid geformuleerd met betrekking tot probleemwijken?
-
Welke drie vormen van stadsvernieuwing worden onderscheiden?
-
Wat is het verschil tussen stadsvernieuwing en herstructurering?
-
Welke aspecten zijn kenmerkend voor wijken gebouwd tot 1920?
-
Hoe worden laagopgeleiden ’gedwongen’ te verhuizen door gentrificatie?
-
Welke aspecten zijn kenmerkend voor wijken gebouwd tussen 1920 en 1940?
-
Waarom vinden zich veel probleemwijken in wijken die gebouwd zijn tussen 1950 en 1970?
-
Wat zijn ’bloemkoolwijken’ en in welke periode zijn deze wijken gebouwd?
-
Wanneer neemt de sociale cohesie toe?
-
Noem drie voorbeelden van overlast in een wijk.
-
Noem drie voorbeelden van subjectieve onveiligheid.
-
In welke drie stappen kun je de leefbaarheid in een wijk verbeteren?
-
Geef nu antwoord op de centrale vragen van deze les.
Klaar?
Misschien heb je thuis al de video bekeken, Zo niet, bekijk deze dan tijdens de les. Maak van de video een samenvatting. Gebruik daarvoor de leerdoelen die je hebt overgenomen in je schrift. Welke begrippen komen terug in de video? Heb je de video al gezien, bereid je dan voor op de volgende les.
Planning
WEEK 1 5 t/m 9 januari
Les 1
Evaluatie thema 2
Les 2
Introductie
Excursie Czaar Peterstraat
Leerdoelen
begrippen
WEEK 2 12 t/m 16 januari
Les 1
Steden en stedelijke gebieden (video en begrippen)
Les 2
Stedelijke vraagstukken (video en begrippen)
WEEK 3 19 t/m 23 januari
Les 1
Leefbaarheid van stadswijken (video en begrippen)
Les 2
Begrippentoets
WEEK 4 26 t/m 30 januari
Les 1
Werkcollege (opdrachten)
Hoorcollege (facultatief) Reikwijdte, verzorgingsgebied en drempelwaarde
Les 2
Werkcollege (opdrachten)
Hoorcollege (facultatief) Samenwerking
WEEK 5 2 t/m 6 februari
Les 1
Werkcollege (opdrachten)
Hoorcollege (facultatief) Buurtprofiel
Les 2
Werkcollege (opdrachten)
Hoorcolllege (facultatief) Sociale cohesie
WEEK 6 1 t/m 5 december
Les 1
Evaluatie leerstof
Generale praktische opdracht
les 2
Proefschoolexamen
FINALEWEEK 16 t/m 20 februari
Toets Stedelijke gebieden
Finale praktische opdracht
23 t/m 27 februari
Voorjaarsvakantie
2 t/m 6 maart
Bufferweek